10. Justitiële samenwerking
SP verkiezingsprogramma 2009-2014
Een stem op 4 juni voor de SP is een stem voor een veiliger samenleving en het vastberaden tegengaan van misdaad en gevaar. Europese samenwerking om grensoverschrijdende criminaliteit aan te pakken steunen we, maar we willen niet dat Brussel ons dwingt tot vermindering van de rechtsbescherming en de privacy van onze burgers. Daar blijven we graag zelf de baas over. Strafrecht blijft voor ons een nationale bevoegdheid. En terrorisme bestrijd je niet door je eigen rechtsstaat af te breken maar juist door er pal voor te staan.

Foto: Sake Rijpkema / Hollandse Hoogte
10.1 Samenwerking van de lidstaten om gezamenlijk de strijd aan te binden tegen alle vormen van grensoverschrijdende criminaliteit, is een goede zaak. Dat is iets anders dan vanuit Brussel invloed uitoefenen op het nationale strafrecht. Daar zijn we op tegen, dat is en blijft voor ons een nationale bevoegdheid. In dat verband moeten we voortdurend kritisch kijken naar Europese samenwerking, als het gaat om het uitwisselen van gegevens en het uitleveren van personen. De druk vanuit Brussel om gegevens over dataverkeer te bewaren en te delen, leidt tot onwenselijke, onnodige en vaak onwerkbare situaties. Daaraan dient een halt te worden toegeroepen.
10.2 Er dienen strenge voorwaarden te worden gesteld aan alle opslag en uitwisseling van informatie voor justitie en politieonderzoek. Aan onderzoek dient een concrete verdenking ten grondslag te liggen. Grootschalige opslag van informatie voor zogenaamde ‘datamining’ wordt afgewezen. De rechten van burgers wier gegevens worden opgeslagen moeten goed worden gegarandeerd via onder andere privacywetgeving. Aan uitwisseling van informatie met niet-EU-landen dienen nog striktere voorwaarden verbonden te worden.
10.3 De bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit moet vooral door meer samenwerking van nationale politie- en justitiediensten gebeuren. De Europese Unie moet daarbij aanvullend en ondersteunend optreden. Zowel vanuit het burgerrechtenperspectief als op grond van de effectiviteit van het politiewerk zien wij niets in de ontwikkeling richting een Europese federale politie, justitie, openbare aanklager en een soort ministerie van Binnenlandse Zaken (waarin het Verdrag van Lissabon voorziet).
10.4 Het strafrecht moet een nationale bevoegdheid blijven. Justitiesamenwerking vindt plaats op basis van gemeenschappelijke afspraken, niet op basis van vertrouwen. Er zijn grote verschillen tussen de rechtssystemen van verschillende lidstaten. Harmonisering van het strafrecht is echter niet wenselijk. Afspraken om iets strafbaar te stellen kunnen daarom enkel unaniem gemaakt worden en nooit leiden tot afspraken over de hoogte van straffen. Daarnaast gaan steeds meer regels uit van vertrouwen in elkaars rechterlijke beslissingen. In de Europese Unie zouden nationale rechters uitsluitend rekening moeten houden met (strafrechtelijke) wetten waarmee hun lidstaat heeft ingestemd.
10.5 EU-lidstaten dienen periodiek getoetst te worden om te zien of zij voldoen aan de eisen die de Europese Unie stelt aan de kwaliteit van de rechtsstaat. Zolang de rechtsstaat in Bulgarije en Roemenië grote tekortkomingen vertoont, worden deze landen uitgesloten van politie- en justitiesamenwerking in EU-verband. Op grond van de Kopenhagencriteria dient een onafhankelijke instantie de lidstaten periodiek te toetsen op de kwaliteit van de rechtsstaat. Vanwege de omvang van de corruptie en de tekortschietende aanpak van criminaliteit dient justitie- en politiesamenwerking met Bulgarije en Roemenië te worden opgeschort totdat ze aan hun verplichtingen voldoen. Opschorting van de samenwerking laat onverlet dat deze landen wel moeten meewerken aan verzoeken uit de overige lidstaten voor informatie over en overdracht van verdachten.
10.6 Het is goed dat de lidstaten afspreken om conform internationale verdragen bescherming te bieden aan vluchtelingen. Het afspreken van Europese normen moet worden aangemoedigd. Er moet voorkomen worden dat lidstaten elkaar beconcurreren met scherpere regels. Volledige harmonisering dient echter afgewezen te worden omdat op nationaal niveau de afweging gemaakt moet kunnen worden een hoger niveau van bescherming te bieden.
10.7 In het geval van een humanitaire ramp worden er afspraken tussen de lidstaten gemaakt over het opvangen van ontheemden. De meeste ontheemden worden opgevangen in de regio en slechts een klein deel bereikt de Europese Unie. In het geval van rampen moeten er afspraken gemaakt worden over hoe de opvang van ontheemden verdeeld wordt over de lidstaten. Hiermee kan worden voorkomen dat een lidstaat onevenredig meer mensen van buiten opvangt dan andere lidstaten.
10.8 De samenwerking op het gebied van grensbewaking mag niet leiden tot een Fort Europa. Het gezamenlijk surveilleren op de Middellandse Zee (FRONTEX) moet gericht zijn op het terugdringen van het aantal doden bij de oversteek van vluchtelingen vanuit Afrika naar Europa. Daarbij moet het recht op het aanvragen van asiel van vluchtelingen gegarandeerd blijven. Uitgeprocedeerde asielzoekers moeten op een menswaardige manier naar het land van herkomst worden begeleid.
10.9 De ‘braindrain’ uit ontwikkelingslanden wordt tegengegaan. Het naar Europa halen van kennismigranten is ongewenst omdat daardoor de kloof tussen de EU-landen en hun landen van herkomst wordt vergroot. De voorgenomen introductie van een zogenaamde Blue Card, naar analogie van de Amerikaanse Green Card, gaat van tafel. Het streven om hoogopgeleiden aan te trekken vanuit ontwikkelingslanden voor eigen profijt, past niet binnen onze opvattingen van internationale solidariteit. In plaats van kennismigranten toe te laten, dient de EU in te zetten op het vergroten van de welvaart in de landen van herkomst.
10.10 Nederland moet haar softdrugsbeleid overeind houden en promoten in Europa. Het legaliseren van softdrugs heeft veel voordelen ten opzichte van het verbieden ervan. Nederland moet voor haar beleid blijven staan op dit gebied.












